Hoe ruikt, voelt, klinkt en smaakt de zomer? En hoe ziet die eruit? Bekende Nederlanders vertellen over hun mooiste zomers. Deze keer: Joep van Deudekom. ‘Met een twaalfdehands kano op avontuur.’
“Ik ben nooit een zonaanbidder geweest, ik vind hitte onaangenaam. Een ontbijtje hier in de achtertuin met een bakje yoghurt kan nét, maar in de zon dineren vind ik heel vervelend. Ik vind het snel te warm. Ik hou van de schaduw. Op straat loop ik altijd aan de schaduwkant, op terrasjes zit ik daar waar de zon niét is. Mijn gevoel van de zomer is dus niet de warmte, maar juist de koelte op mijn huid. Wel in een korte broek overigens. Lekker de wind tegen mijn benen. Het liefst loop ik van april tot en met september in een korte broek. Ik ben op een leeftijd dat dat misschien ‘not done’ is, maar daar heb ik lak aan.”
“Ik was 6 toen mijn vader overleed. Ik kan me één vakantie met hem herinneren: met het gezin in een huisje, ergens op de Veluwe. Mijn vader deed daar mee aan een zwemwedstrijd. ’s Avonds was er feest, we zaten aan lange tafels. Dan werd er ‘Van voor naar achter, van links naar rechts’ gezongen. Dat vond ik als klein kind fantastisch. Na zijn dood bleef mijn moeder achter met vijf kinderen. We hadden geen geld en geen auto, dus gingen we niet op vakantie.”
“Het was ongelofelijk wat mijn moeder voor elkaar kreeg. We hadden geen cent te makken, maar wij hadden als enige in onze wijk in Haarlem een tafeltennistafel. Vierdehands weliswaar, maar alle buurtkinderen kwamen bij ons in de tuin pingpongen. En ze had een twaalfdehands kano op de kop getikt. Daarmee ging ik met vriendjes varen op het Spaarne. Broodjes en drinken mee, op avontuur. We hadden ook altijd een goede leren pieper; een voetbal. Daarmee heb ik mijn hele jeugd gevoetbald met leeftijdsgenoten in het park. De geur van gemaaid gras brengt me direct terug naar die tijd. Eerst met stokjes de hondendrollen weghalen, en het voetbalveld was klaar.”
“Ik ging in de zomer altijd logeren bij familie in Alkmaar. Die hadden een garage met een benzinepomp. Achter die garage lagen sloopauto’s. Dat gebied was voor mij een enorme speeltuin. Hutten bouwen, fikkie stoken… Mijn vriendjes gingen naar Spanje op vakantie, daar was ik toen best een beetje jaloers op. Maar als ik eraan terugdenk, had ik veel leukere vakanties. En ik verdiende wat geld bij de garage, met auto’s poetsen.”